|
Op 1 december was er in Tilburg een informatie- en discussieavond over melkquotasystemen, kleinschalige coöperaties, inkoopmacht van supermarkten en rol van consumenten. De avond had als titel 'Boer en burger samen voor een eerlijke melkprijs' en er kwamen ruim 30 mensen op af. Hieronder vindt je een verslag.
(door Rob Bleijerveld)
Op 1 december was er in Tilburg een informatie- en discussieavond over melkquotasystemen, kleinschalige coöperaties, inkoopmacht van supermarkten en rol van consumenten. De avond had als titel 'Boer en burger samen voor een eerlijke melkprijs' en er kwamen ruim 30 mensen op af. Hieronder vindt je een verslag.
De avond stond in het teken van de grote financiële problemen waarin veel melkveehouders verkeren, het Europese melkquotasysteem, de inkoopmacht van supermarkten en de economische crisis. De Europese Unie wil het melkquotasysteem in 2015 afschaffen en de boeren overleveren aan de 'vrije markt'. Dat roept verschillende vragen op. Welke alternatieven stellen boeren voor om een goede melkprijs te verkrijgen? Wat verwachten ze van de burger? Hoe kunnen boeren en burgers wat doen tegen de macht van supermarkten?
Introductie: Jan Vugts
Nadat de bezoekers en gasten hebben kunnen proeven van verschillende soorten melk en uitleg kregen over een melkquiz waaraan ze mee konden doen, heette Jan Vugts van Buro Ver(?)antwoord iedereen welkom. Hij legde uit wat het programma voor de avond was en door wie en waarom de avond werd georganiseerd. De organisatoren zijn Bureau Ver(?)antwoord (waarvoor Jan werkt) en de campagne 'Global Europe, Voor Wie?´ (waarin Rob Bleijerveld, de derde spreker van vanavond, actief is). Bureau Ver(?)Antwoord organiseert informatiebijeenkomsten, debatten en campagnes over eerlijke handel en globalisering. Produceren onder de kostprijs is niet goed voor boeren hier of in ontwikkelingslanden en door zijn eigen boerenachtergrond trokken de acties van de boeren de aandacht van Jan. De campagne 'Global Europe, Voor Wie?´ onderzoekt en belicht de invloed en gevolgen van het Europese handelsbeleid, en melkveehouders zijn een van de vier groepen die hierbij centraal staan.
De sprekers zijn Hans Geurts (voorzitter van de Nederlandse Melkveehouders Vakbond, Cees van Roessel, biologische melkveehouder, lid van een kleinschalige coöperatie en eigenaar van een boerderijwinkel, en Rob Bleijerveld van de campagne 'Global Europe, Voor Wie?´
De eerste spreker: Hans Geurts, voorzitter van de Nederlandse Melkveehouders Vakbond (NMV)
Ik ben melkveehouder in Noord-Limburg, in het plaatsje Veulen, vlakbij Venray. Mijn vrouw en ik hebben zo'n 70-75 koeien en 35 hectare grond, een gemiddelde bedrijfsgrootte voor Nederland. We leveren aan de Belgische zuivelcoöperatie Walhorn die elke 2 dagen bij ons thuis de melk ophaalt en daarvoor een zo goede prijs probeert te krijgen op de markt. Als lid zijn we verplicht alle geproduceerde melk aan die coöperatie te verkopen en aan het eind van de maand blijkt hoeveel de opbrengst is geweest.
In het verleden leverde ik – net zoals de meeste Nederlandse melkveehouders – aan Campina (nu: Friesland-Campina), maar ik was ontevreden over de prestaties van die zuivelcoöperatie en over het feit dat de Campina-topman voortdurend bezig was om de melkprijs “naar beneden te praten¨ en zo de supermarktketens in de kaart speelde. Toen midden 2007 de wereldmarktprijzen voor melkpoeder en boter enorm gingen stijgen, rekende Campina dat nauwelijks of vertraagd door in de melkprijs aan de leden. Walhorn betaalde echter al die tijd meer voor een liter melk en gaf dat de prijzen nog verder zouden stijgen op basis van afgesloten contracten. De marktpiek van 2007 was kort van duur en kwam door grote tekorten op de wereldmarkt, een situatie die zeer uitzonderlijk is. De hogere wereldmarktprijzen trokken de Europese prijzen mee omhoog, met eind 2007 een prijs van rond de 50 cent per kilo. Normaal gesproken zijn de wereldmarktprijzen juist heel laag door het dumpen van Europese melk en de zeer lage prijzen van melk uit Nieuw-Zeeland.
In 2008 gingen de wereldmarktprijzen echter weer snel en hard onderuit; eind december kregen boeren op de vrije markt nog maar 12-15 cent voor een kilo melk. Bij Waldhorn was dat ongeveer 22 cent. Toch ligt de berekende kostprijs, inclusief arbeidsvergoedingen, ergens tussen de 42 en 47 cent!
De NMV: “Inkomen daar draait het om”
Zo´n 12 jaar geleden richtten kritische melkveehouders deze vakbond op uit ontevredenheid met het beleid van de Land- en Tuinbouw Organisatie (LTO), de grote boerenbond. De LTO zit te veel op de lijn van de zuivelcooperaties en de fabrieken en stelt exportprijzen centraal maar niet een goede melkprijs voor de boeren. De NMV wil een zuivelbeleid dat zorgt voor een redelijke melkprijs, een prijs die tenminste de kosten van de boeren dekt. De vrije markt van voor de Tweede Wereldoorlog gaf een grote prijsinstabiliteit maar ook veel armoede onder boeren. Het gemeenschappelijke Europese landbouwbeleid veranderde dat. Nu zijn de politici echter bezig dat beleid weer af te breken volgens de neo-liberale lijn en de regels van de Wereldhandelsorganisatie (WTO).
De NMV vindt dat markt- en handelsliberalisering een middel kan zijn voor andere economische sectoren, maar niet voor de landbouw. Het landbouwbeleid moet zorgen voor redelijke prijzen voor boeren en voor goed en betaalbaar voedsel voor iedereen. Anders dan bijvoorbeeld in de auto-industrie blijven de prijzen niet op niveau in een crisisstuatie. Er worden nu minder auto's geproduceerd bij min of meer gelijkblijvende prijzen. Maar boeren hebben geen invloed op de prijs. Bij een te lage melkprijs zullen ze proberen meer liters te produceren om hun inkomen op peil te houden. Zo effectief mogelijk werken dus bij min of meer gelijkblijvende (vaste) kosten. Het adagium van de vrije markt (“Schaf de quota maar af”, dan blijft de beste over...) gaat hier niet op.
Voedsel is een eerste levensbehoefte en daar moet altijd voldoende van zijn. Maar dat kan niet in een “vrije markt”. In de landbouw – maar bijvoorbeeld niet in de televisiemarkt – stuurt de overheid op overproductie. Dat wil zeggen: de overheid laat ons boeren aanploeteren als er sprake is van overproductie, maar grijpt in en stelt alles in het werk voor een hogere productie zo gauw er een tekort is op de landbouwmarkt.
In de landbouw zorgt een klein overschot (vanaf een half %) al voor een enorme prijsdaling, en een klein tekort zorgt al voor een enorme prijsstijging. Het verschil tussen die 50 cent in 2007 en de 20 cent in 2009 heeft betrekking op slechts een paar procent verschil in aanbod. Het sturen op overproductie heeft niet alleen gevolgen voor de boereninkomens maar ook voor de lonen. Want looneisen zijn vaak gebaseerd op inflatiecijfers en die zijn weer gekoppeld aan de voedselprijzen.
Desondanks is markt- en handelsliberalisering verworden tot doel en de politiek wil de melkprijs verlagen tot nabij de wereldmarktprijs. De interventieprijzen (de prijsniveaus waarvoor Brussel melk, poeder en boter opkoopt in geval van overschotten) zijn inmiddels verlaagd, en daarmee ook de 'bodem in de markt' zodat de melkprijs verder is gezakt.
De EMB: alleen gezamenlijke actie voor een ander zuivelbeleid helpt
De NMV en 15 andere kritische vakbonden uit Europa (die samen ruim honderdduizend melkveehouders vertegenwoordigen) hebben zich verenigd in de EMB (European Milk Board) om gezamenlijk actie te kunnen voeren op Europees niveau. Het heeft geen zin als een paar individuele boeren hun productie verlagen of er zelfs helemaal mee stoppen; alleen gezamenlijke actie heeft zin en er is een door de overheid vastgesteld (ander) raamwerk voor beleid nodig. De EMB heeft een plan uitgewerkt over hoe het anders kan. Het gaat ervan uit dat een boer zijn inkomen moet kunnen verdienen uit het product dat hij of zij produceert, het moet uit de markt komen. Met een redelijke melkprijs is er geen subsidie nodig en is het landbouwbeleid ook veel goedkoper. Vraag en aanbod moeten op elkaar worden afgestemd. De melkveehouders en de andere belanghebbenden moeten gezamenlijk die markt gaan sturen. De overheid moet een wettelijk raamwerk vaststellen zodat de boeren zich houden aan de vastgestelde quota. Belangrijk is dat de vraag naar beneden gaat, zodat er een kostendekkende melkprijs kan worden uitbetaald aan boeren.
De Europese Commissie en de lidstaten willen het huidige melkquoteringssysteem (elke boer koopt het recht op een bepaalde jaarproductie) afschaffen. Via een ´zachte landing´, ofwel een jaarlijkse verruiming van de quota per lidstaat, wil men toe naar het overbodig maken van de quota in 2015. Het idee is dat die dan zo groot zijn dat ze niet meer kunnen worden 'volgemelkt'. Maar tijdens de wereldwijde recessie toen er een grote vraaguitval was, werd er toch meer geproduceerd. De Nederlandse melkveehouders zijn zo ambitieus dat ze elk quotum volmelken, hoe hoog ook. De EMB wil echter aangepaste quota en een geringere productie.
(Reagerend op een reactie uit het publiek:) Bij te weinig vraag en teveel aanbod heeft de vragende partij – de supermarkten – het voor het zeggen. Bij te weinig aanbod is dat de aanbiedende partij, de boeren. De retail bepaalt voor een deel welke prijs er voor melk wordt gegeven. Bij het vraagtekort in 2007 waren de supermarkten echter niet in staat de melkprijs laag te houden. Het is uiteindelijk geen kwestie van grotere macht van supermarkten of van hun mogelijkheden om zich sterker te bundelen op Europees niveau, maar: de macht zit waar het tekort zit.
Ideologie
(Reagerend op een aantal publieksvragen met betrekking tot wereldmarktprijzen, vrijhandel en WTO:) Minister Verburg gaat helemaal mee met de lijn van de Wereldhandelsorganisatie van marktliberalisering en afschaffing van exportsubsidies, “De vrije markt moet zijn werk doen”. In het verleden bouwde Nederland op de wereldmarkt een grote exportpositie op basis van subsidies. Maar zonder exportsubsidies kunnen we helemaal niet zo goedkoop produceren. Om toch die markt te behouden zei men dat de Europese boeren efficiënter moeten gaan werken. De melkprijs moet daarvoor zakken totdat alleen de efficiëntste boeren overblijven. Verburg wil dat doen door de quota te verruimen en daarna af te schaffen. Maar wat we nu al zien, is dat de grootste bedrijven de grootste problemen hebben. De hardste klappen vallen bijvoorbeeld bij bedrijven met 1000 koeien of meer, in Oost-Duitsland.
Als je het mij vraagt, gaat het meer om ideologie dan om argumenten. De ideologie is: er moet een vrije markt komen ongeacht de gevolgen. Het heeft ook te maken met de onderhandelingen bij de WTO. Men wil persé een WTO-akkoord hebben en de landbouw is uitruilmiddel voor toegang tot tot buitenlandse markten voor onze verzekeringsmaatschappijenen industriebedrijven. Er is bij het zuivelbeleid nooit gekeken of een boer voor die prijs kan produceren.
En dan over de wereldmarkt en lage consumentenprijzen: Een van de beleidsdoel van de Nederlandse regering is het laag houden van de voedselprijzen. Maar het is een vergissing om het op deze manier te doen. Boeren kunnen lage prijzen heel lang volhouden – ze hebben grond en de banken lenen snel bij. Maar als het te lang duurt, dan knapt het lijntje en gaan er ineens vele boeren failliet en dan heb je te maken met een groot productietekort. Dan vliegen de melkprijzen omhoog (tot 50 cent dus) en ook de winkelprijzen. Vervolgens komt er weer een overschot, zodat de prijs voor boeren weer daalt naar 20 cent en de winkelprijs op het hoge niveau blijft hangen. Met de vrije markt betaalt de burger infeite juist méér in plaats van minder. Op Europees niveau wil men de inflatie laag houden en daarom moeten de voedselprjzen niet (teveel) stijgen. Hoewel de wereldmarkt maar zo´n 7 a 8 % van de totale wereldproductie omvat (die is ongeveer 600 miljard liter groot) en Europa ongeveer een kwart daarvan produceert, is de wereldmarktprijs bepalend voor de melkprijs in Europa. Als die markt vrij is en de prijs is laag, dan trekt die onze prijs naar beneden.
In Canada heeft al heel lang het systeem dat wij willen: een gereguleerde markt waarin vraag en aanbod op elkaar worden afgestemd. Van elke consumenteneuro behoudt de boer 55%. Ter vergelijking: in de VS krijgt de boer maar 35% terwijl de Canadese consument ongeveer net zoveel betaalt voor een liter melk. Als de prijs niet heel hard op en neer gaat, dan krijg je ook in de winkel een stabilisatie van de prijs. De consument betaalt dan niet méér dan daarvoor, terwijl de boer wel méér beurt. Dus het verhaal van de efficiënste producenten en de laagste consumentenprijs, dat klopt niet.
EMB-plan
Het EMB-plan voor een Europese zuivelmarkt voorziet in een monitoreninstituut waarin de melkveehouders, de zuivelindustrie, de retail, de overheid en consumentenorganisaties zijn vertegenwoordigd. Dat instituut bepaalt (onafhankelijk) een kostprijs die een redelijk efficiënt funktionerend bedrijf minimaal moet beuren voor een kilo melk. Ook stelt het elk half jaar een marktanalyse op voor sturing op de lange termijn die bepalend is voor de vraagverwachting en voor het procentage quota-uitbreiding of -inkrimping dat boeren krijgen. Om ook te sturen op de korte termijn (want de dagelijkse melkproductie van een koe valt niet bij te sturen) moet er een melkfonds komen door middel van een kleine heffing op het melkgeld van iedere Europese melkveehouder. Als je bijvoorbeeld uitgaat van 0,2 cent per liter, is dat opgeteld zo'n 30 miljoen euro per jaar.
Hoe willen we sturen? Het instituut stelt een richtinggevende kostprijs vast en een zekere bandbreedte (minimum en maximum). Daling van de melkprijs beneden het minimum kan door interventie (het uit de markt nemen van een deel van de melk) of door “productieleasing recht uit de markt” (boeren vergoeden voor de bereidheid minder te produceren dan het quotum) weer ongedaan worden gemaakt. En als de melkprijs daarna boven het maximum uitkomt, kunnen vraag en aabod weer op elkaar worden afgestemd door interventie (uitgenomen melk weer terugplaatsen).
(Reagerend op een vraag uit het publiek:) De boer krijgt een jaarquotum, maar weet natuurlijk niet precies hoeveel liters melk zijn of haar koeien zullen geven, hoeveel koeien er ziek worden of kalveren krijgen (en dus niet leveren). Een boer kan redelijk sturen door het bijkopen of verkopen van een paar koeien, of door melk te 'leasen' (een teveel producerende boer kan een deel van zijn quotumrechten verhuren aan een boer die te weinig produceert). Volgens het EMB-plan blijft dit zo, terwijl de quota jaarlijks worden vastgesteld op basis van afstemming van vraag en aanbod.
De door Europa vastgestelde quota waren altijd al veel te ruim en zijn niet afgestemd op wat hier wordt geconsumeerd. Dat zorgt voor overschotten die op de wereldmarkt worden afgezet met subsidies ('dumping') of worden opgeslagen als melkpoeder en boter (interventie). De quota volgens het EMB-plan zijn wel afgestemd op de Europese vraag en de interventie wordt beperkt. Nu is er in de Unie 3,5 miljard liter aan melkequivalenten via interventie opgeslagen. Dat is evenveel als de jaarproductie van België...
(Reagerend op publieksvragen:) Binnen het huidige quotasysteem verschillen de omvang en kosten per lidstaat. Dat is onder meer afhankelijk van de nationale mogelijkheden tot melkproductie. In Nederland kunnen we heel efficiënt produceren door de aanwezigheid van voldoende water, goede grond en vlakke percelen. De grondprijs is daarentegen wel weer hoog. In gebieden met slechtere omstandigheden (bergachtig, droog) is de grondprijs lager. En in de hogere melkprijs in een land als Italië zijn de noodzakelijke transportkosten van vervoer van melk uit Duitsland inbegrepen.
We zijn als EMB voor een Europees quotum en voor de afschaffing van de landenquota. Elke boer krijgt dan een gelijk recht op melkproductie en elke uitbreiding of inkrimping van het totale quotum heeft invloed op het quotum van de individuele boer. Het quotumrecht zal ook overal in de EU op een gelijkwaardig niveau komen zodat er sprake is van een eerlijkere, onderlinge concurrentie.
Verder gaan we niet uit van het openen van buitenlandse markten zodat kan worden geëexporteerd. Wij stellen juist voedselsouvereiniteit centraal: elk land moet in staat worden gesteld om zelf het landbouwbeleid te bepalen en de eigen landbouwsector te beschermen. Ons doel is een zuivelsysteem dat de productie afstemt op het mogelijk maken van een kostendekkende prijs voor de boer. Als je vervolgens de grenzen open gooit en goedkope melk van elders binnen laat, dan haal je dat systeem onderuit. Het EMB-systeem is alleen handhaafbaar indien je ook grensbescherming toepast.
Acties:
Heel veel melkveehouders in Europa kwamen in betalingsproblemen door de zeer lage prijzen. Ons doel was niet een hogere melkprijs gedurende een korte periode, maar een strukturele verandering. We kozen ervoor met de politici te praten, ondersteund door demonstraties en akties. Dat deden we ook rond de besluitvorming over de zogenaamde Health Check (halftijdse evaluatie van het Europese Landbouwbeleid) waarbij werd aangestuurd op quotumuitbreiding. Omdat de politiek niet wilde luisteren, besloten we daarna het zwaarste middel in te zetten: de melk(lever)staking. Op 10 september 2009 riepen Franse boeren een melkstaking uit die uit solidariteit werd gesteund door boeren in Duitsland, Oostenrijk, Italië, België, Nederland en zelfs in Zwitserland (geen EU-lid, maar vergelijkbare problemen).
Verder waren er overal in Europa uitrij-akties, zoals die in Wallonië waarbij boeren uit heel Europa deelnamen aan het uitrijden over land van een hele dagproductie aan melk (een paar miljoen ton). Die akties waren bedoeld om via pers druk uit te oefenen op de politiek om productieinkrimping toe te staan, om acuut tot een quotumkorting te komen. Het weggooien van melk, van voedingsmiddelen, had een scholkeffect in heel Europa. Nu was zichtbaar wat al gebeurde via de afvoerputten op boerderijen. Men realiseerde zich dat er wel iets heel erg mis is als boeren besluiten om op die manier melk weg te gooien.
Hypocriet
We kregen zeer negatieve reacties, zoals de hypocriete opmerking van minister Verburg dat “haar hart bloedde”. Zij is bij uitstek verantwoordelijk voor het melkoverschot door haar voortdurende pleidooi voor de uitbreiding en uitfasering van het quotum en voor versterking van de exportpositie van Nederland. De prijs voor de boeren doet er blijkbaar niet toe...
Anderen zeiden: ¨Er zijn mensen in de wereld die hebben honger en nu gooi je voedsel weg¨ Maar al 40, 50 jaar zo liggen hier gigantische hoeveelheden melkpoeder opgeslagen en dat aan de andere kant van de wereld mensen dood gaan van de honger! Ze kunnen het vandaag nog daar heen brengen. Het eigenlijke probleem is echter dat er in de ontwikkelingslanden te weinig koopkracht is. Wij produceren hier teveel en dumpen de overschotten in die landen zodat de boeren daar kapot gaan en dat die landen afhankelijk worden van onze export. Dat is een erg slechte zaak. Ik vind dat we daar acuut mee moeten stoppen. Dat is ook voor mij een van de redenen om mij actief in te zetten voor een ander zuivelbeleid.
Ik schaam me er voor dat onze melkpoeder daar de boeren kapot maakt. Wij moeten ons eigen probleem oplossen en onze productie afstemmen op onze eigen vraag.
Veranderingen bij de Europese lidstaten en Commissie Er zijn dus veel akties gehouden en veel gesprekken gevoerd. Onder aanvoering van Frankrijk hebben 21 van de 27 lidstaten tenslotte besoten dat er tot 2015, tot de afschaffing van de quota, toch een bepaalde regulering moet komen. Een van de 6 landen die niet meedoen is Nederland dat altijd heel liberaal was en steeds de Europese Commissie volledig steunde. Verburg heeft zichzelf daarmee buiten Europa gesloten. De groep van 21 landen zorgde ervoor dat er een High Level Group (HLG) is ingesteld met topambtenaren uit elk deelnemend land die elke maand vergadert en kijkt hoe ze in de toekomst de zuivelmarkt kunnen gaan reguleren zodat de boeren toch een redelijke melkprijs beuren. De HLG vraagt de verschillende “partijen” (EMB, zuivelindustrie, de Europese boerenbonden, de “handel”) om advies. De EMB zit er bovenop en blijft druk uitoefenen op de HLG om ons tegemoet te komen in hun plannen. Medio 2010 zullen zij conclusies trekken, dan weten hoe het verder gaat.
Iets anders dat nu verandert, is de Europese Commisie: de oude is afgetreden, een nieuwe treedt aan. Er komt ook een nieuwe commissaris voor Landbouw en Rurale Ontwikkeling, een Roemeen. De vorige commissaris, Fischer-Boel, komt uit Denemarken dat net zo liberaal is als Nederland en ze hebben daar gemiddeld de grootste bedrijven van Europa; in Roemenië hebben ze gemiddeld de kleinste bedrijven. Ik verwacht dat dat zijn weerslag heeft op de nieuwe landbouwcommissaris en ik heb geluiden gehoord dat die meer onze kant op denkt. Hij heeft zijn opleiding deels in Frankrijk gehad, een land dat altijd meer voorstander is geweest van regulering. In die zin ben ik er best positief over.
Voordelen van het EMB-plan
De voordelen van het EMB-plan zijn een gezonde, duurzame melkveehouderij, het rekening houden met landschap, dierenwelzijn en milieu-eisen, het behoud van gezinsbedrijven en van koeien in de wei, stabiele en redelijke prijzen voor producenten en redeljke rijzen voor consumenten, een goedkoper landbouwbeleid, en geen overschotten dus ook geen dumping in derde landen.
De rol van burgers...
Een vraag van de organisatoren was ook: ¨Wat kan de rol zijn van burgers hierin?” Nou ja, je kunt ons publiekelijk ondersteunen, je kunt aangeven richting politici dat zij hierin mee moeten gaan, dat zij er voor moeten zorgen dat boeren een redelijk inkomen verkrijgen, dat het belangrijk is dat de gezinsbedrijven in stand blijven. In de winkel niet altijd voor het goedkoopste gaan. Ook kijken naar regionaal geproduceerde producten. Een initiatief dat in Oostenrijk op gang is gekomen, is Fair Milk, een initiatief van de Oostenrijkse lidorganisatie van de EMB. In de winkels worden literpakken Fair Milk verkocht die weliswaar duurder zijn waarvan het geld rechtstreeks naar de boeren gaat die deelnemen. De deelnemende boeren moeten voldoen aan bepaalde producutievoorwaarden. In Oostenrijk speelt sterk dat er geen gebruik wordt gemaakt van genetische gemanipuleerde producten. Verder gaat het bijvoorbeeld om bepaald landschapsbeheer. Dat loopt daar vrij goed, er is een bepaalde groep consumenten die bereid is meer te betalen....
Dat was mijn verhaal.
De tweede spreker: Cees van Roessel, biologische melkveehouder, lid van een kleinschalige coöperatie en eigenaar van een boerderijwinkel,
Ik ben Cees van Roessel uit Udenhout, onder de rook van Tilburg. Ik ben in 1986 omgeschakeld naar de biologische bedrijfsvoering en was een van eersten in Brabant die dat wat grootschaliger aanpakte. Dat deed ik om een antwoord te vinden op een aantal problemen die Hans net al aangaf.
De landbouw van rond de oorlog was redelijk conservatief, kende weinig expansie. Eind 50-er jaren, begin jaren ´60 werd begonnen met een enorme expansie. Dat had te maken met het crisisdenken van na de oorlog en de inschatting dat de Nederlandse bevolking enorm zou groeien. Er kwam landbouwvoorlichting, landbouwonderwijs en er ontstond een bijna optimale infrastruktuur. In de jaren ´70, ´80 was de landbouw vooral gericht op volumeproductie. Dat resulteerde in een verdubbeling van het aantal liters melk per koe, in 30% meer eieren, in meer vleeskoeien, in 50 tot 10% meer graanopbrengst, etcetera. Maar er was geen markt voor... Dit leidde tot de bekende boter-, graan- en vleesbergen, en later tot de verstoring van de wereldmarkt door dumping. De infrastruktuur van de landen waar de overschotten naar toe gingen werd vernietigd. Want zo vlug als we dachten dat we weer de kritische voorraad hadden, stopten we er weer mee en ging daar geen voedsel meer heen. Een beleid dat sociaal gezien niet kon en meer van doen had met ons eigen hachje redden.
Gangbaar is niet duurzaam
Geen duurzaam systeem dus en ook niet iets dat je ongestraft in de industrie kunt doen. Je moet produceren voor een markt die er is. Maar omdat de productie in de landbouw niet snel en volledig te regelen is, heb je een beleid nodig dat op een beter evenwicht is gericht, op een stabielere markt en stabielere prijsvorming.
Behalve volume was er ook bedacht dat er een overvloed aan bestrijdingsmiddelen nodig was. Het was: ¨Baat het niet, dan schaadt het niet¨. Er werd heel ruimhartig mee omgegaan en dat was ook in het belang van de industrie. Die liet het spul achter bij de boeren onder het mom van ¨Je vindt er over een paar maanden niets meer van terug, het breekt zichzelf af. Maak je daar geen zorgen over¨. Ondertussen weten we – met meer technische kennis – dat dat niet waar is. Een aantal additieven van die producten bleven in de grond achterbleven. Ook kunstmest en drijfmest werden volop gebruikt ... met de bekende beelden van de akkers die bijna blank werden gezet om van de mest af te komen. Het zou niet schadelijk zijn, want het gewas dat er op groeide, gebruikte de mest en aar werd de grond alleen maar beter van.
Allemaal denkbeelden om het systeem overeind te houden, maar ik wilde dat niet zo doen. Met mijn 38 jaar dacht ik geen lol te kunnen beleven door zo de komende 20 tot 25 jaar bezig te zijn.
Kringlooplandbouw
Ik wilde naar een duurzame landbouw toe, een kringlooplandbouw die zichzelf in stand houdt en die zo min mogelijk belastend is voor de omgeving (het grondwater, de bodemkwaliteit en en luchtkwaliteit). Dus een landbouwsysteem dat voedsel produceert waar een markt voor is. Goed voedsel, met waarborgen voor bepaalde productiewijze en grondstoffengebruik. Dat was een hele stap en je laat heel wat achter. Dus een andere voorlichting, geen kunstmest of chemicaliën meer, het gebruik van antibiotica terugdringen....
Maar ook door dieren hun diereigengedrag te laten hebben. Een kip scharrelt, een varken wroet, een koe staat in de wei. We wezen de legbatterijen voor kippen en de productiestallen voor varkens af, waar zo snel mogelijk het voer doorheen moet om een kilo vlees te produceren. Onwaardig voor de dieren.
Met de omslag moest er ook een nieuwe markt voor ontstaan. ¨Biologisch¨ was een begrip dat men niet of nauwelijks kende. Daaraan is hier in de buurt met name gewerkt door de Zwaluw, een zelfkazer, die door schade en schande wijs is geworden. In het begin zette die zijn producten in de regio af, samen met de Kleine Aarde uit Boxtel. Uiteindelijk is het een inktvlek geworden die groter werd. Mensen werden zich steeds meer bewust van waar ze mee bezig waren. In het begin was het een kleine goep consumenten die het ontdekte, er werden voorwaarden aan gesteld en waarde aan toegekend. Een groep die een aantal dingen niet meer wilde en het koopgedrag gedeeltelijk daarop afstemde. Een groep ook die als katalysator kon gaan werken om meer grootschalige verandering teweeg te brengen. Dat heeft er bijvoorbeeld toe geleid dat de legbatterijen voor kippen worden afgebouwd, dat de welzijnseisen voor dieren steeds meer opgeschroefd worden. Ook in de gangbare landbouw, zij het mondjesmaat.
We proberen ook vraag en aanbod zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen. Een aantal boeren die hun biologische melk her en der leverden, ondermeer aan een verwerker in Born (Noord-Limburg), kwamen in problemen toen bleek dat die afnemer teveel had geïnvesteerd in de bouw van een nieuwe melkfabriek en daardoor achterliep met de betaling aan de boeren. Die zaten toen opgescheept met een plas melk, en wat doe je dan? Bij Campina aankloppen waar ze niet stonden te juigen en waar je eerst een flinke som entreegekd moet betalen om voor een leveringscertificaat? Dat kwam toen neer op gemiddeld 50 tot 60.000 gulden per boer, zonder overigens de garantie dat de melk als biologisch wordt afgezet of verwerkt.
Leveren op maat
Maar in nood kunnen hele leuke dingen ontstaan. We hebben met een beperkt aantal boeren de koppen bij elkaar gestoken en gezegd: ¨we gaan melk op maat aanbieden¨. Van de verwerkers die we benaderden, hoorden we vaak over hetzelfde probleem: ze krijgen of teveel melk of te weinig melk aangeboden. Met teveel melk wisten ze niet wat te doen en te weinig melk betekent melk ¨bijhalen¨ tegen een hogere prijs (duurdere infrastruktuur, extra vervoer etc). Wij waren in staat om melk op maat aan te leveren. Een verwerker die bijvoorbeeld 1000 kg kaas wil maken en grofweg 10000 liter melk nodig, die kunnen wij op een bepaalde dag en op een bepaald uur beleveren.
Onze melk was duurder maar de onkosten van de kaasmaker waren relatief lager. Langzaamaan ging dat steeds beter. We begonnen met tussen de 6 en 7 miljoen liter melk en op dit moment zitten we op de 45 miljoen melk per jaar. We gan ook uit van het gegeven dat we zelf verantwoordeljk zijn voor ¨overmelk¨, dus melk die niet contractueel besteld is. Die nemen we uit de markt. Als we in een bepaalde week met te weinig vraag een paar tankwagens melk overhielden, dan dumpten we die niet tegen lagere prijzen in het biologische circuit, maar zetten we die af op de spotmarkt, tegen de wereldmarktprijs. Het SKAL-keurmerk gaat er dan van af. In het slechtste geval levert dat maar 13 of 14 cent per liter op; in ons geval was de laagste prijs zo´n 22 cent per liter. Dat was afgelopen zomer en het ging om een kleine hoeveelheid. Onze ervaring is dat er afnemers zijn die die overmelk graag tegen lagere prijs overnemen om daarvan goedkope biologische kaas te maken. Maar we hielden ons aan het contract en verziekten niet onze eigen markt.
Concurrentie
Wij hebben ook de melkprijs losgekoppeld van de gangbare prijs. Het LEI (Landbouw Economisch Instituut Wageningen) berekende onze kostprijs uit en dat is ons uitgangspunt bij het in de markt zetten van onze melk. Friesland-Campina geeft bijvoorbeeld 28 cent voor gangbare melk en 8 cent meer voor biologische. Maar wij vragen meer. Dat kunnen we voor een deel in stand houden, maar voor een deel worden we beconcurreerd door Friesland-Campina. Zij onderbieden verwerkers die prijsafspraken willen maken met de retail, de supermarktinkopers. De verwerkers waaraan wij verkopen vertellen die inkopers dat hun kaas bijvoorbeeld 10 euro per kilo moet kosten omdat de want daar en daar melk inkopen en zo en zoveel verwerkingskosten hebben en zoveel marge willen hebben. Vervolgens gaat Friesland-Campina daaronder zitten en zegt dat ze 9,50 euro voor dezelfde kaas willen hebben. En dan moet je ongeveer de blaren op de tong te praten om daar nog 9,80 van te kunnen maken. Je wordt dus toch gedwongen concessies te doen.
Heel jammer, want je zou beter kunnen reguleren om vraag en aanbod, en prijs in de markt te houden. En dan praten we over Fair Trade, eerlijke prijs, die boeren nodig hebben om op een duurzame manier landbouw te bedrijven. Want als je het tegen een te lage kostprijs wilt doen, dan moet de boer wel meer gaan produceren om de variabele kosten nog enigszins te kunnen drukken (de vaste kosten blijven even hoog). Met grotere eenheden krijg je ¨verdunning¨ van de kostprijs. De bekende megastal is daar een voorbeeld van. Ook in de gangbare melkveehouderij is dat duidelijk aan de orde met 250 of 300 koeien per bedrijf.
Lokaal en regionaal produceren en samenwerken
De liberalisering van de wereldmarkt werkt waarschijnlijwel voor industriële producten maar niet voor de voedselproductie. De achtergrond van voedsel is anders, het is kwetsbaar, minder goed houdbaar, het gaat over het algemeen om vrij grote volumes. De basis moet zijn dat er op goede, eerlijke manier voedsel geproduceerd kan worden. Wij als biologische melkveehouders vinden dat een aantal producten lokaal en regionaal - ja, hoe groot is een regio eigenlijk, is dat Breda-Eindhoven-Den Bosch-Oosterhout of meer Amsterdam-London-Parijs-Berlijn? - geproduceerd zou moeten worden. In zo´n regio wonen heel veel consumenten die we kunnen bedienen. Lokale en regionale productie kan ook gelden voor bijvoorbeeld energie. Kleinere gemeenschappen kunnen energie produceren en de afvalstoffen die vrijkomen hergebruiken. Samen zonnepanelen aanleggen op grote boerderijdaken bijvoorbeeld. Ga hierover convenanten aan: gebruik de daken voor energieopwekking en deel de kosten. Op die manier kun je samenwerkingsverbanden tot stand brengen en dan ontstaat er ook veel meer een relatie tussen consumenten en producenten.
Als het voedsel alleen uit de winkelschappen komt, blijft het anoniem. Er is ook veel mee gebeurd waar we geen weet van hebben. Regionaal voedsel produceren is veel herkenbaarder voor de consument en ik heb er als boer ook een ander gevoel bij. Dan is het niet een afrekening van de bij mij thuis opgehaalde melk die ik aan het eind van de maand krijg toegestuurd zonder dat ik weet waar het heen is gegaan (Oost-Duitsland, China of Zuid-Amerika?). Ik heb daar dan geen gevoel meer bij en er is ook niemand die mij aanspreekt of ik dat goe of niet goed heb gedaan. En of ik het als plezierig heb ervaren om te doen. De toegevoegde waarde van voedsel is méér dan het proeven en ruiken van wat je mond ingaat. We moeten naar een andere relatie producent-consument toe.
Op dit moment wordt daar er voor streekproducten behoorlijk wat aandacht gevraagd, maar het is steeds ¨zij zijn groot en wij zijn klein¨. Dat hebben de pioniers van de biologische landbouw ook aan den lijve meegemaakt. Nooit gezien als medestanders, maar als tegenstanders. Zo van ¨jullie zijn aan het uitvinden wat wij straks allemaal niet meer mogen.¨ Ik zei dan: ¨Jullie zijn aan het afkijken wat wij allemaal aan het doen zijn.¨ Nu de biologische landbouw is aangeslagen, zie je dat ¨gangbare¨ boeren een aantal dingen (op hun eigen manier) gaat overnemen. Dat is op zich al een verbetering.
Geleidelijke veranderingen
Alle boeren zullen zeggen dat macro bekeken, 10% minder kunstmest gebruiken beter is dan de gehele omschakeling van slechts 2 boeren in Nederland. Maar er moeten toch – en dat geldt ook voor de boerenvakbond – mensen zijn die andere systemen durven te presenteren als eye-opener voor collega´s, voor de politiek, voor de samenleving. Dat is toch ook een stukje de markt reguleren. We zeggen niet dat machtsvergroting direct het middel is om invloed op de markt te krijgen. Want op het moment dat jij je macht vergroot, doet de ander dat ook. Dat is een wedstrijd die je nooit kunt winnen. Een voorbeeld: toen ik bestuurslid van de ZLTO (Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie) was, werd de VION opgericht, een grote vleesverwerker in Europa, met het idee ¨Dan worden wij een hele grote partij in de markt¨. Daarna kwamen er nog andere grote vleesverwerkers bij op de makt. We bleken uiteindelijk niet 20 tot 30% marktaandeel te hebben zoals we dachten, maar 17%. Want ook aan inkoopzijde werd geconcentreerd e dat had gevolgen voor ons. Je zult dus andere argumenten moeten gebruiken naar de retail toe. De consument is eigenlijk de enige die de markt bepaalt. De retail richt zich helemaal op de consument en heeft het vermogen de consument te beïnvloeden...dat hebben wij als producenten duidelijk minder. Toch kunnen we ons met een aantal dingen profileren – en dat doen we ook als biologische landbouwers en met succes. Veel mensen hebben een gevoel bij ¨biologisch¨ door het keurmerk SKAL dat wij eraan gekoppeld hebben. Maar dat heeft veel moeite en tijd gekost. Honderd jaar geleden hebben de boeren de coöperaties opgericht toen er de noodzaak was van samen bundelen, samen verwerken, en kosten verlagen. Een jaar of 50 tot 70 geleden gaven we de macht uit handen gegeven aan die zuivelverwerkers. Vervolgens hebben zij de zeggenschap langzamerhand weer overgelaten aan de retail.
Consumentenpanels in Zweden
Daarmee zijn de boeren helemaal los gekomen van hun product. Als de melktank maar wordt leeghaald, de varkens maar opgehaald als ze vlees hebben, en de eieren als ze gelegd zijn, dan produceert de boer wel. Eigenlijk is dat geen goede relatie en moet er meer beslotenheid liggen in de relatie met de consument. Boer en consument moeten elkaar meer waarborgen verlenen, kwaliteit en voorwaarden. In Zweden, in tegenstelling tot Nederland een niet-exporterend land, hebben ze al veel ervaring met consumentenpanels die met de producenten overleggen over de voorwaarden waaronder de melk wordt geproduceerd. Het gaat om voorwaarden die wij hier als ¨biologisch¨ hanteren, zoals diereigengedrag, goede huisvesting, kwaliteit, nauwelijks of geen antibioticagebruik, koeien buiten, etc. Een onafhankelijk instituut berekent op basis van de gestelde voorwaarden de bijbehorende kostprijs. Er wordt dan nog wat onderhandeld over wat acceptabel is en dan komt er een deal uit. Zowel de producenten als de consumenten zijn tevreden. Dat zou eigenlijk hier ook moeten worden toegepast, maar dan moeten we in Nederland af van onze exportdrang. Af van de instelling om koste wat kost de wereldmarkt te bedienen, dus af van dat wereldwijde gesleep met dieren en voedsel en de drang om anderen te verdringen van de exportmarkten.
Boerderijwinkel
Nog iets over mijn melkveehouderij en boerderijwinkel. Via de boerderijwinkel wordt relatief weinig verkocht, bijvorbeeld slechts een zeer klein deel van de melk die ik produceer. De rol van de boerderijwinkel is om de consument te tonen hoe er eigenlijk omgegaan moet worden met voedsel, waar het vandaan komt. Bij ons is alles traceerbaar en wij kunnen de producenten en leveranciers daar ook op aanspreken, we hebben nauwe contacten met hen. Bijvoorbeeld als een consument iets wil weten over bepaalde ingrediënten in verband met een allergie. Het is ook en etalage naar de gangbare landbouw toe over hoe je eigenlijk met producten moet omgaan. De anonimiteit die aan heel veel producten kleeft en vooral van private labels (huismerken) waar de retail graag gebruik van maakt, betekent dan je geen zicht hebt op de herkomst van zo´n product. Bij een merkproduct is dat nog voor een deel traceerbaar, maar niet bij een (vaak goedkoper) huismerk. En de retailers zetten die steeds vaker in om de fabrikanten onder druk te zetten (zoals bij Peijenburg-koek) en de consument mee te verleiden. Mijn melk blijft traceerbaar en ik weet aan wie die wordt verkocht (en anders weet degene die de melk verkoopt wel waar die heen gaat). In onze melkpoule hebben wij ook een toelatingscommissie die een bedrijf dat melk aan ons wil leveren bezoekt. De historie van dat bedrijf wordt besproken en er wordt bekeken of alles er netjes uitziet en wat de kwaliteit van de melk is over een langere periode. Daarna stemmen we af wanneer de melk in de productieketen kan. Het is herkenbaar omdat we toelatingseisen hebben en we precies weten waar het vandaan komt.
Pauze
3e spreker: Rob Bleijerveld, actief in de campagne ¨Global Europe, Voor Wie?¨
Mijn naam is Rob Bleijerveld. Ik houd me al een tijdje bezig met de Wereldhandelsorganisatie WTO, ben beheeerder van een website over de inkoopmacht van supermarkten en ben werkzaam bij de campagne 'Global Europe, Voor Wie?' die gaat over het handelsbeleid van de Europese Unie. Dat handelsbeleid ligt in het verlengde van waar de WTO voor staat: een neoliberale politiek. Helaas is er hier geen internetverbinding, zodat ik niet de website kan laten zien.
Deze campagne voer ik samen met iemand anders en we hebben geld gekregen om ons daar 1 jaar lang mee bezig te houden. De bedoeling is om zoveel mogelijk aan te sluiten bij een Europese campagne van organisaties in het buitenland die het Europese handelsbeleid kritisch volgen. En vooral om in Nederland aandacht te schenken aan beleid en de gevolgen omdat er hier zo weinig over bekend is. Het Europese handelsbeleid heeft niet alleen een funktie naar buiten toe via export en buitenlandse investeringen, maar heeft ook een binnenlandse component. Zoals al is aangegeven heeft het gevolgen voor de positie van producenten in Nederland, maar ook van migranten, studenten en arbeiders. Dat zijn de 4 doelgroepen waarvoor we in de aanloop naar de Europese parlementsverkiezingen van 4 juni avonden en andere activiteiten hebben georganiseerd. We zijn in april begonnen en die verkiezingen waren het eerste punt waar we ons op hebben gericht. Sinds juni richten we ons meer op het geven van informatie over vrijhandelsakkoorden waar de Europese Unie bij betrokken is. Zo is er onlangs een vrijhandelsakkoord afgesloten tussen de EU en Zuid-Korea op basis van de nieuwe handelsstrategie van de EU. Deze handelsstrategie heet ´Global Europe, Competing in the World´. De EU wil een wereldspeler zijn op handels- en investeringsgebied en stelt zich daarbij op aggressieve wijze op.
Doelen van het Europese handelbeleid Er zijn 3 hoofddoelen. Ten eerste het afzetten van diensten en goederen op de wereldmarkt of direkt op de markten van afzonderlijke landen. Ten tweede het zo goedkoop mogelijk verkrijgen van grondstoffen ten behoeve van de (eigen) verwerkende industrie, de fabrikanten en de supermarkten. Dat zijn de sectoren die de Europese Commissie zo goed mogelijk wil laten concurreren op de wereldmarkt. De grondstoffen worden gehaald uit landen buiten de EU. Vrijhandelsakkoorden zijn de basis voor de contracten die bedrijven daarvoor afsluiten. Maar bedrijven moeten volgens die gedachte ook goedkope grondstoffen kunnen betrekken uit de Unie zelf, zoals het voorbeeld van de melk. Die moet zo goedkoop mogelijk ter beschikking komen van de zuivelcoöperaties, de verwerkende industrie, de fabrikanten en de supermarkten zodat die goed kunnen concurreren. Het derde doel van de 'Global Europe'-strategie is om de rechtszekerheid van ondernemingen veilig te stellen. Dat gaat bijvoorbeeld over intellectuele eigendomsrechten als patenten, octrooien en handelsmerken. Zo kunnen grote bedrijven gemakkelijker hun markten afschermen. Als een ander bedrijf gebruik wil maken van een bepaald patent, moet dat recht worden gekocht en dat is erg duur. Na pas heel lange tijd komt zo´n patent mogelijkerwijs vrij.
Er is door de voorgaande sprekers al een aantal dingen gezegd waar ik graag bij aansluit. Zo is de WTO al genoemd, het neo-liberale beleid is genoemd en ook dat Nederland een behoorlijk neo-liberaal beleid voert, met minister Verburg voorop waar het de landbouw betreft. De twee vorige sprekers gaven aan dat er geen neo-liberale of liberale politiek mogelijk is in het geval van de landbouw omdat je toch ook moet zorgen voor een goede voedselvoorziening voor de egen bevolking. Ik denk dat op alle vlakken, voor alle economische sectoren geldt, ook bijvoorbeeld bij de industrie, dat het niet de bevolking is die uiteindelijk profiteert van een neo-liberaal beleid en zeker niet de bevolking van ontwikkelingslanden, van het feit dat Europese bedrijven zo goed in staat worden gesteld om te exporteren en te investeren.
Brochure 'Global Europe, Voor Wie?'
Achterin in de zaal liggen gratis exemplaren van de brochure die we over het handelsbeleid hebben uitgebracht, met de titel 'Global Europe, Voor Wie?' Daarin staat een algemeen verhaal over wat de handelstrategie van de EU is. Verder bestaat het uit 4 dossiers van thema´s die we hebben uitgewerkt, waaronder het thema van de melkveehouderij. Als je wilt, kun je die meenemen. Ik moet er bij zeggen dat in het stuk over melk de positie van supermarkten niet zo goed is uitgewerkt. Supermarkten zijn de laatste jaren steeds machtiger geworden. Ze hebben een vrij belangrijke positie gekregen door hun inkoopmacht. Ze zijn in staat om verwerkers en zelfs fabrikanten onder druk te zetten... Unilever, Peijenburg is even genoemd, de CONO kaasmakerij – de coöperatie die kaas maakt in Noord-Holland. Het was de Superunie die CONO zover probeerde te krijgen om hun kaas nog goedkoper van de hand te doen, zodat de consumentenprijs weer omlaag kon.
Hardste klappen onderin de keten
De supermarkten, vooral de grote, zijn verwikkeld in een concurrentiestrijd op wereldniveau; ze moeten groter worden om te overleven. Het idee is dat je moet eten om niet gegeten te worden. Anders wordt je overgenomen en heb je als aandeelhouder weinig meer in de melk te brokkelen. Er is sprake van een zekere concurrentiedwang waar de supermarkten mee te maken hebben. Ze moeten zo goedkoop mogelijk hun producten afzetten aan de consument om een zo groot mogelijk marktaandeel te kunnen verwerven. Er komt heel veel bij kijken, maar uiteindelijk worden daartoe de toeleveranciers van de supermarkten – en dat kunnen fabrikanten als Unilever zijn of de zuivelcoöperaties - die worden onder druk gezet om hun prijzen voortdurend te verlagen. Het gevolg daarvan is dat ook zij steeds minder willen betalen aan de producenten, bijvoorbeeld de melkveehouders. Aan de onderkant van de voedselketen vallen de grootste klappen. En op dit moment is duidelijk - het is al verteld door Hans – dat de kostprijs veel hoger is dan de prijs die ze voor de melk krijgen. Dat is een situatie die voor veel boeren niet veel langer vol te houden is.
Alternatief plan
De vakbonden van de melkveehouders willen die situatie veranderen. Hun strategie is gebaseerd op een ander productiemodel, voor Europa. En ze voeren akties en hebben een sterke politieke lobby. Het interessante daarvan vind ik dat op deze wijze de neo-liberale politiek van de Europese Commissie wordt bekritiseerd en dat er een alternatief wordt geboden. Commissaris voor Landbouw (nu Fischer-Boel, straks een ander) heeft een probleem. Het is niet goed dat teveel boeren ontevreden zijn en dat er heel veel akties worden gevoerd tegen het landbouwbeleid is niet goed voor de image van de Europese Unie. Maar vooral het bestaan van een goed alternatief plan is politiek gezien erg lastig. … eh... het is goed dat het neo-liberale beleid op deze wijze aangevochten wordt.... En het alternatief van een Canadees quotasysteem waarbij alle stakeholders samen bepalen wat een goede prijs is, een systeem dat uitgaat van de vraag in de regio, dat is op zich een heel goed idee. De Europese Unie zou misschien ook een regio kunnen zijn met zo'n systeem.
Ik hoop dat er uiteindelijk een voldoende steun komt om dit mogelijk te maken. Daarvoor is, denk ik, wel heel wat druk nodig. De boeren doen dat nu zelf. Bij de aardappeltelers heb je eigenlijk soortgelijke problemen, en ook bij de telers van groente- en fruit, bij de varkenshouders en bij de graantelers. In alle landbouwsectoren is de trend om (verder) te liberaliseren aanwezig. Het treft alle producenten. Het zou dan ook niet zo raar zijn, dat - en die stemmen zijn al opgegaan in Frankrijk en in mindere mate in Nederland – dat boeren uit de verschillende sectoren elkaar gaan ondersteunen en proberen om gezamenlijk die strijd voor een ander landbouwsysteem uit te bouwen. Ik denk ook dat belangrijk is dat de consument daaraan mee gaat doen. Niet alleen als degene die producten in de winkel koopt, maar ook als lid, medewerker of sympatisant van een milieuorganisatie, ontwikkelingsorganisatie of in ander verband... En ook de kleine winkeliers die in de knel komen door de supermarktketens, die kunnen een rol vervullen. Het voortbestaan van hun bedrijf is ook steeds minder zeker.
Community Supported Associations
Er moeten manieren worden gevonden om gezamenlijk de strijd van de boeren te steunen. Dat kan op heel veel manieren.... Als ik het goed heb beluisterd, heeft Cees al een beetje aangestipt dat als je meer kleinschalig produceert, meer streekgewijs, dan kun je ook een soort klantenkring verwerven die dan bij jou afneemt. Dan is er heel direkt contact. Waar mogelijk kunnen de consumenten dan in een dialoog met de producent ook eisen stellen over de producten en productiewijze. Er zijn bijvoorbeeld systemen bekend in de landbouw waarbij consumenten zich samen met de producenten organiseren waarbij ze dan overleggen wat de boer in kwestie dat jaar gaat telen, welke kwaliteit er wordt geteeld en hoeveel dat gaat kosten. De consumenten leggen dan een bepaalde som geld in, zodat de boer de garantie heeft dat-ie aan het eind van het seizoen niet met afzet blijft zitten. Dat heet in het Engels: Community Supported Associations. Een vereniging van consumenten en producenten, een vorm van samenleven waarbij je probeert op vrij kleine schaal bestaanszekerheid te geven aan boeren en waarbij de consument meer te zeggen krijgt over het product wat die koopt. En over dit fenomeen zou meer discussie kunnen worden gevoerd en bekendheid worden gegeven zodat er meer mensen zich mee bezig kunnen gaan houden.
Breaking the Armlock-coalitie
Een andere mogelijkheid – en dat is uitgeprobeerd in Groot-Brittannië – is om een coalitie te vormen bestaande uit boerenorganisaties, consumentenorganisaties, organisaties die bezig zijn met ontwikkeling, met milieu, vrouwenorganisaties, organisaties van kleine winkeliers, etcetera, die wat proberen te doen aan de grote inkoopmacht van supermarkten en hun dominantie. Ze riepen op tot het strikter controleren van de inkooppraktijken van de grote supermarktketens, vooral om te zorgen dat die stoppen met het stellen van onredelijke eisen aan boeren en tuinders in het Verenigd Koninkrijk en daarbuiten, en met het verhalen van onredelijke kosten op hen. De coalitie in Groot-Brittannië heet “Breaking the Armlock”. Armlock is de houdgreep waarin de boeren vaak door de supermarkten en de inkoopcentrales worden gehouden, maar in feite ook door anderen zoals de coöperaties waaraan melkveehouders hun melk leveren. Gezamenlijk wordt geprobeerd om iets te doen aan de mededingingswetgeving die de verwerkende industrie, groothandelaren en de distributiebedrijven beschermen. In Nederland is dat ook zo. Hier mogen producenten zich maar tot een bepaald percentage marktaandeel bundelen en je mag geen prijsafspraken maken en zeggen “wij verkopen ons product niet onder deze of deze prijs.” Dat percentage ligt op 5 of misschien 8% , terwijl sommige supermarkten een marktaandeel hebben van boven de 30%. Er zitten heel veel haken en ogen aan de mededingingswetgeving.
In het Verenigd Koninkrijk heeft die coalitie het voor elkaar gekregen dat... eh … dat klachten van de toeleveranciers en van producenten over hoe ze onder druk worden gezet om hun prijzen te verlagen en om bepaalde risiko's over te nemen, dat daar anoniem onderzoek naar is gedaan. En dat er gedragscodes en aanvullende maatregelen zijn gekomen. Bij risiko's kun je denken aan opslag op de boerderij, goed gekoeld en hygiënisch. Daar zijn kosten aan verbonden die de supermarkten niet doorberekenen aan hun consumenten, zodat de winkelprijs laag kan blijven. Nu is het zo dat producenten niet zo gemakkelijk hun mond opendoen en gaan klagen omdat ze een groot risiko lopen dat ze daarna hun spullen niet meer kwijt kunnen bij die supermarktketen. Maar het Verenigd Koninkrijk is het de coalitie wel gelukt om heel veel klachten boven water te krijgen. Hun campagne was heel breed opgezet overal in het land, in kleine steden en dorpen, waren afdelingen actief en die voerden zoveel mogelijk publieksaktie en probeerden de de overheid onder druk te zetten om wat te doen. Uiteindelijk was er persaandacht, zijn er hoorzittingen gehouden, werden er onderzoeken uitgevoerd en kwam er een – zij het vrijwillige – gedragscode voor bedrijven en een speciale ombudsman.
Het funktioneren van de voedselketen in Europa
We zitten met de situatie dat het de Europese Commissie en de lidstaten zijn die voornamelijk bepalen welke mededingsregels er zijn in de Europese lidstaten. Er zijn mogelijkheden voor lidstaten om uitzonderingen te bedingen op nieuwe Europese wetgeving, maar Nederland is een land dat daar zo weinig mogelijk gebruik van maakt. De huidige regering – en ook de voorgaande regeringen – gaat helemaal mee met de neo-liberale dogma van economische groei en concurrentie. De gevolgen van dat economische model, waar het gaat om landbouw, zijn met name voelbaar aan de onderkant van de voedselketen.
Mijn pleidooi is om te kijken of er in Nederland ook een colaitie is op te zetten van organisatiee en individuen om daar tegen in te gaan. Het is zo, dat – en ik wil daarmee gaan afsluiten – op 28 oktober de Europese commissarissen Boel van Landbouw en Kroes van Mededinging hebben aangegeven dat … eh… dat ze een commisie, de High Level Group, opdracht hebben gegeven om onderzoek te doen naar het funktioneren van de voedselketen. Gebleken is dat het heel slecht is gesteld met de inkomens van boeren in Europa. Melkveehouders en boeren uit andere sectoren krijgen vaak minder voor hun product dan de kostprijs. En duidelijk is, dat het niet lang meer zal duren en heel veel bedrijven gaan over de kop. Met name door de akties van de melkveehouders is dat punt hoog op de agenda gekomen van de Europese Commissie en van de lidstaten. Eerst schoorvoetend en later genereus tussen aanhalingstekens is men gaan kijken welke politieke wijzingen er mogelijk zijn binnen het Landbouwbeleid om te zorgen dat boeren een beter inkomen krijgen.
Maar het onderzoek gaat over ook over de positie van toeleveranciers, verwerkers, groothandel, supermarkten, etcetera. Er zijn een aantal voorstellen gedaan door Commissie en lidstaten en het is belangrijk dat dit goed gevolgd wordt. Wat voor onderzoeken gaan er plaatsvinden en hoe vinden die plaats? Wat willen wij dat er uit komt? De Nederlandse Mededingingsautoriteit deed in 2008 een schriftelijk onderzoek bij supermarkten naar prijzen, bijvoorbeeld om te zien of en in welke mate de prijsverlagingen bij de producenten is doorberekend in de winkelprijzen. Maar er zijn nog geen resultaten bekend gemaakt, terwijl er ondertussen al wel onderzoek is gedaan bij telers van allerlei groentes – komkommers, paprika, tomaten en meer. En dat was heel heavy. Want er zijn invallen geweest in bedrijven net alsof het om criminelen ging. De schijn wordt gewekt dat de telers een gemene zaak maken en onderling prijzen afstemmen. En daaruit is ook nog helemaal niets naar buiten gekomen. Die resultaten zouden nu juist snel op tafel moeten komen, nu de Europese Commissie onderzoek heeft ingesteld naar het funktioneren van de hele voedselketen. Daarbij moeten klachten over druk door supermaktketens richting toeleveranciers, boeren en telers ook worden meegenomen en dan zonder dat dat consequenties heeft voor hun positie. Hoe worden zij behandeld door inkoopcentrales van de supermarkten, door de verwerkende industrie..?.
Consumenten kunnen samen met producenten eisen dat dit onderdeel wordt van het lopende onderzoek.
Vragen aan het panel en discussie met de zaal
(HG: Hans Geurts; CvR: Cees van Roessel; RB: Rob Bleijerveld)
1. [Vraag pluimveehouder aan Hans Geurts:] Je hebt het over gezinsbedrijven maar een bedrijf met 300 koeien is geen gezinsbedrijf meer. Moet je niet iets opnemen in je voorstellen over maximale bedrijfsgrootte? Wij zitten in de intensieve pluimveehouderij met precies hetzelfde: bijvoorbeeld 420 duizend kippen in een grote stal met 3 verdiepingen, en dat noemen ze dan 'scharrelkippen'. Waar is het einde? [HG:] Dat is inderdaad een moelijke discussie. Persoonlijk leg ik de grens bij of je koeien zo kunt houden dat ze diereigengedrag kunnen vertonen, koeien in de wei dus. Bijvoorbeeld zo'n 120 koeien max. In onze organisatie zitten melkveehouders met hele kleine bedrijven maar ook met heel grote bedrijven, biologisch of gangbaar. Wij komen op voor de belangen van onze leden maar we leggen geen grenzen en sturen niet. Het belangrijkste is dat de boeren met hun bedrijf hun brood kunnen verdienen. [Vraagsteller:] ik vindt dat de overheid wel bepaalde grenzen, bepaalde voorwaarden moet stellen...[CvR:] De sector moet daar zelfregulerend in optreden. Ik ben het niet helemaal met Hans eens. Wij in de biologische sector vinden dat je wel bepaalde grenzen kunt stellen aan de bedrijfsgrootte. Wat is nog een gezinsbedrijf? Je hoeft het ook niet te romantiseren en zeggen 20, 30 koeien is genoeg. Ieder bedrijf moet kunnen doorgroeien, de techniek neemt toe, de manier van koeienhouden wordt steeds efficiënter. Je bent technisch gezien in staat om steeds meer koeien te houden maar je moet ergens ook grenzen durven stellen. Als het maar blijft groeien, doet de landbouw zichzelf de das om.
2. [Opmerking aan de drie sprekers:] Ik ben Piet Rombouts [verder: PR] van de Brabantse Milieu Federatie – het waren vanavond mooie en goeie verhalen – en ik vind dat een uitdaging, die coalitie waarmee de laatste spreker kwam. Ik geloof echt dat we hierin moeten samenwerken. Wij hebben 130 achterbangroepen en heel veel Brabantse burgers die we daarbij vertegenwoordigen. Wij willen heel graag een hier een oproep doen – en daar zijn we ook concreet mee bezig in Tilburg en omgeving om onze achterban te koppelen aan dit soort initiatieven. We proberen heel concreet op regionalisering aan te sluiten met akties en om onze achterban te mobiliseren om dit te steunen. Want het anonieme, zeg maar het neo-liberale, van wat hier allemaal geschetst is, leidt er toe dat veel minder bekend is van wat de relatie is tussen consument en producent. En dat gaat ten koste van de bewustzijn van de kwaliteit van het voedsel en van het milieu. Wij willen dat heel graag stimuleren, al die drie verhalen, we willen samen de handschoen oppakken..
3. [Toevoeging door een andere bezoeker:] Het verhaal van streekproducten is ook genoemd door meneer van Roessel en van Rob hoor ik ook iets in de richting van lokale initiatieven enzo. Op het platteland worden veel streekproducten gemaakt en dat is allemaal leuk en aardig, maar dat zet commercieel weinig zoden aan de dijk. Die producten zouden gezamenlijk op een plek te koop moeten zijn waar grote bevolkingsgroepen wonen. In Tilburg had er al lang een streekproductenwinkel moeten zijn. Tweehonderdduizend bewoners plus de bezoekers die de stad nog binnenkrijgt. Dan hoeven de mensen die van streekproducten houden niet met de fiets of veelal met de auto al die kleine landbouwweggetjes in de regio af te rijden. Jammer dat dat nog niet van de grond is gekomen. [CvR:] Dat klopt. In Praag heb ik een winkel gezien waar iedere dag verse producten werden aangevoerd van uit de omgeving van Praag en daar liepen veel consumenten rond die dat kochten. [??:] De LTO komt daar nu achter omdat ze zien dat ze hun leden niet meer kunnen helpen omdat ze de vat op de keten zijn kwijtgeraakt. [CvR:] Zo straks zei je dat.. eh.. zo'n 40, 50 jaar geleden hebben we dat losgelaten, zo van de coöperaties gaan dat doen. En de coöperaties hebben zich vervolgens vee te veel gefixeerd op het produceren van melk en toen heeft de retail de verkoop overgenomen. Dat wil dus zeggen dat de producent absoluut geen inbreng meer heeft in het eindproduct. Dus zo van: 'we produceren en als we maar zorgen dat er weer van af komen, kunnen we door blijven produceren. Een terrein dat we hebben prijsgegeven en waarvan ik niet denk dat we dat ooit terug kunnen halen.
4. [PR:] Even daarop reagerend... Tien jaar geleden kwam 90% van het eten wat in Londen werd gegeten van buiten Londen. Toen is Londen daar gericht beleid op los gaan laten. Ze namen een hele serie maatregelen van aanbestedingen tot stimuleringen, op allerlei vlakken. Daarmee hebben ze die trend kunnen ombuigen. Van de Europese Commissie waarvan hier het beleid heel goed is geschetst, zal het initiatief niet vandaan komen. De gemeenten kunnen hier het initiatief nemen. Zo zijn we in Tilburg bezig met het opstellen van een Local Food PolicyCouncil (Plaatselijke Voedselbeleidsraad), omdat voedsel niet binnen economie, gezondheid of detailhandel valt. Valt overal tussen. Daarom moeten we daar een apart platform voor hebben. En gemeenten kunnen daar heel veel in doen, met Londen, Rome, Vancouver en anderen als voorbeeld. Er zijn heel veel redenen waarom gemeenten daarop kunnen inspelen, vanwege gezondheid, vanwege regionale economie, vanwege klimaat... [CvR:] Dat is het precies. Als we voedsel, als we economie los koppelen van het sociaal-maatschappelijke gebeuren, dan zijn we heel verkeerd bezig. Die samenhang moet aanwezig blijven. En als de mensen daar geen gevoel meer bij hebben, dan zijn we allemaal spekkoper. Zo van 'Waar kunnen we het het goedkoopst krijgen en er is altijd wel iemand die ervoor zorgt dat dat zo zal blijven'. Maar dat is geen basis om duurzaam bezig te zijn.
5. [RB:] Ik vind dat een heel belangrijke motivatie, dat voedsel dicht bij huis wordt geproduceerd en dat je er zicht op hebt, etcetera. Het is ook allemaal mogelijk. Maar je moet wel heel goed in de gaten houden waar het met de liberalisering naar toe gaat. Want er worden wetten en regels gemaakt. Op dit moment is er een WTO-vergadering in Genève, en hoewel het niet te verwachten is dat daar veel uit komt, wordt er wel door kleine groepen belangrijke landen onderhandelingen gevoerd achter gesloten deuren. En als die bepalen dat dat soort dingen niet meer mogen... Het zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat ze de lokale initiatieven aanmerken als discriminatie vóór binnenlandse leveranciers en tegen buitenlandse leveranciers. Dan heb je een probleem. Of als ze zeggen dat gemeenten niet meer mogen aanbesteden, dat dat nu Europees moet geschieden, dan vis je achter het net. Je moet dus op tijd weten waar de onderhandelingen op uitdraaien en op datzelfde terrein moet aktie worden ondernomen.
6. [PR:] Dat klopt. Tilburg neemt deel aan een (voorbereidings)project tussen vier steden in Europa in het kader van de Europese samenwerking en het is de bedoeling dat dit soort verhalen weer terug gaat naar de Europese Commissie om daar dit soort adviezen te leveren, om, zeg maar, dit te voorkomen. [HG:] In Nijmegen zijn ze ook ver met een initatief – Oregional – om streekproducten naar de mensen toe te brengen. [PR:] Ja, ik vind dat prima, maar dit (het 4 stedenproject, red.) gaat veel verder dan alleen streekproducten. Als je het bijvoorbeeld hebt over Londen en het bijstellen van 10 tot 20%, dan heb je het over miljoenen maaltijden per dag. Dan praat je over grote volumes, en eigenlijk over voedsel in bulk. Het moet wel hout snijden...
7. [Vraag aan panel:] Ik vraag me af: waarom besteedt de consument zo weinig mogelijk geld aan voedsel, maar waarom wel aan dingen als truien (??) of televisies? [HG:] We zijn allemaal consumenten, en als ik naar de winkel ga en ik zie twee vergelijkbare producten die voldoen aan mijn kwaliteitseisen, dan pak ik ook de goedkoopste. Dus het gaat er om dat je er voor zorgt dat een product niet onder de kostprijs in die winkel wordt verkocht. Daarvan wil ik niet de consument de schuld geven. En als iemand werkeloos raakt en het inkomen gaat achteruit dan is het logisch dat wordt gezocht naar de goedkoopste producten. [??:] Ik denk dat er zo'n 10% bewuste consumenten zijn die kijken waar een product vandaan komt en die er echt iets voor over hebben.
8. [De pluimveehouder:] Als je kwaliteit van voedsel kon meten dan was er een drive, een motivatie om beter te produceren. Ik produceer volgens het biologische concept, maar het kan nog vele malen beter. Dan moet ik er wel veel meer voor doen. Echter, het wordt niet betaald. De burger roept om diervriendelijke en duurzame productie maar zodra die burger als consument aan de kassa staat, dan kijkt hij er niet naar. Ze kijken wel naar allerlei onduurzame, goedkope merken maar ze kijken niet naar het biologische, ondanks dat dat wel beter is voor de gezondheid. Er wordt jaarlijks 60 miljard aan gezondheidszorg uitgegeven en er is niemand die meer ondervoed is, niemand die natte kleding en een nat, koud huis heeft, en toch krijgen we met ons vijfstigste lever- en darmkanker... Waar komt dat vandaan: uit je voedsel. En dat wordt steeds meer een probleem.
9. [RB:] De consument heeft inderdaad een beperkte keuze. Als het over melk gaat, dan is er de biologische, de niet-biologische of nog andere melk... Met die huismerken is het al genoemd: je weet vaak niet wat de ingrediënten zijn en waar die vandaan komen... Wat de Europese Unie en de WTO ook onmogelijk maken, is om echt te kijken naar hoe worden dingen geproduceerd. Bijvoorbeeld al die goedkope producten, welke mensen in ontwikkelingslanden gaan er door de productie kapot? Hoeveel kilometers worden afgelegd voordat zo'n product hier is, al die zaken. Dit soort verborgen kosten worden niet door ons als consument betaald. Die kosten zijn er wel, maar ze worden afgeschoven. Als je dat er bij op gaat tellen, zou kunnen blijken dat de normale, lokale productie veel goedkoper is.
10. [Pluimveehouder:] Maar de wet is zo ingewikkeld gemaakt, met zoveel papierwerk, dat ze gewoon gaan marchanderen. Ik marchandeer als biologische kippenhouder net zo mee. Want mijn kippen krijgen Flumanol (?) omdat ze wormen hebben. Nu mag er in (biologische) eieren geen antibiotica meer zitten en er is door iemand onderzocht dat Flumanoi nog tot 8 dagen na gebruik in het kippevlees aanwezig is, maar niet meer in het ei. Als pluimveehouder weet je wanneer je kippen weg gaan en dan ga je er geen Flumanolkuur van duizend euro opzetten. Toch mogen dan nog eieren worden geproduceerd en verkocht... En wat denk je? In een Zwitsers blad voor de biologische pluinveehouder staat nu geschreven dat ze Flumanol 21 dagen na toepassing van de kuur nog aantreffen in eieren! De pluimveehouder geeft elke 6 weken een Flumanol-kuur, dus in ongeveer 50% van de eieren zit nog flumanol. Zo zijn er legio voorbeelden.
[RB:] De Voedsel en Waren Autoriteit die stelt zijn eisen, de drempelwaarden ook meestal vrij hoog in, zodat in elke geval grote bedrijven door kunnen gaan met het gebruiken van gif.
10. [Vraag aan panel:] In de zogenaamde Pergola-systemen zie je dat de consumenten met de producenten afspraken maken over de omstandigheden waaronder de producten worden gemaakt. De consumenten zijn bereid daarvoor een goede prijs betalen, omdat ze vinden dat een boer van zijn werk moet kunnen leven. Als de consument gezond wil eten, dan hangt daar dus een prijskaartje aan. (onverstaanbaar) [HG:] Ik wil daar wel even op reageren. Er is al aangegeven dat er een groot verschil bestaat tussen de burger en de consument. De burger vindt inderdaad dat wij een redelijk inkomen mogen hebben en die wil bepaalde eisen stellen. Alleen, de consument – dat is de burger als die in de winkel staat – die gaat toch voor de laagste prijs. De vraag is waarop moet je het beleid afstemmen: op dat wat de burger wil. Als de burger bepaalde eisen stelt, dan moet je ook zorgen dat de producten in de winkel aan die eisen voldoen. Maar zolang als we met de liberalisering door gaan en je laat ook andere producten binnen, dan is het product dat aan de eisen voldoet duurder dan andere. Dan wordt dat product uit de markt geconcurreerd en dan wordt de producent gedwongen om op een andere manier te produceren. Dus je moet eerst de eisen via beleid vaststellen.
Jan: Goed mensen, er is heel veel gezegd en gediscussieerd, en nog niet alles is opgelost, maar ik krijg een seintje dat de beheerder naar huis wil...
Hij maakt de uitslag van de quiz bekend, bedankt de sprekers en het publiek en zegt te hopen dat hier nog eens een vervolg op komt.
|